Prozac | Prozac (Fluoxetine hydrochloride) - 20mg capsules
Hoofd gebruik Depressie
Actief Integredient Fluoxetine hydrochloride
Marketed Naam Prozac
Hoe werkt Fluoxetine hydrochloride?
Prozac capsules en vloeistoffen bevatten het actieve ingrediënt fluoxetine. Fluoxetine is een selectieve serotonine-heropnameremmer (Engels: Selective serotonin reuptake inhibitor, SSRI), welke een type antidepressivum is.
Antidepressiva oefenen invloed uit op zenuwcellen in de hersenen. In de hersenen zijn er talrijke verschillende chemische samenstellingen die neurotransmitters worden genoemd. Dit zijn chemische boodschappers tussen zenuwcellen. Serotonine is zo’n neurotransmitter en heeft verschillende functies waar we van af weten.
Het afgeven van serotonine vanuit zenuwcellen in de hersenen leidt tot verbetering van de humeur. Dit effect houdt op wanneer de serotonine wordt gereabsorbeerd door de zenuwcellen. Er wordt gedacht dat een een afgenomen afgifte van serotonine door de zenuwcellen in de hersenen, een oorzaak van depressie kan zijn.
SSRIs werken door het verhinderen van de reabsorptie van serotonine door de zenuwcellen in de hersenen. Hierdoor houdt het humeurverbeterende effect van serotonine langer aan. Zodoende helpt fluoxetine met het verhelpen van depressie, paniek en angst.
Fluoxetine zou ook gebruikt kunnen worden bij de behandeling van bulimia nervosa en obsessief-compulsieve stoornis bij volwassenen. De werking van fluoxetine bij deze ziekten is nog niet volledig duidelijk.
Het kan twee tot vier weken duren voordat de effecten van het medicijn merkbaar worden, dus is het belangrijk om het te blijven innemen, ook als het in het begin geen effect schijnt te hebben. Neem contact op met uw arts indien u voelt dat uw depressie of angstgevoel is verergerd, of indien u onaangename gevoelens of gedachten ervaart in deze eerste paar weken.
Waar wordt het voor gebruikt?
- depressie
- een psychiatrische aandoening waarin handelingen overmatig worden herhaald (obsessief-compulsieve stoornis)
- boulimie
Bijwerkingen
Deze patiënten hebben een verhoogde risico op bijwerkingen:
- Ouderen.
- Kinderen en volwassenen.
- Jongvolwassenen.
- Patiënten met een geschiedenis van suicidale gedachten of gedrag.
- Patiënten met een geschiedenis van manie, hypomanie of manische depressie (bipolaire affectieve stoornis).
- Patiënten die elektroconvulsietherapie volgen (ECT).
- Patiënten met leverproblemen.
- Patiënten met hartziekten.
- Diabetespatiënten.
- Patiënten met epilepsie of met een geschiedenis van epileptische aanvallen.
- Patiënten met een geschiedenis van bloedstoornissen.
- Patiënten die medicijnen gebruiken die de bloedstolling beïnvloeden (zoals anticoagulantia zoals warfarin – zie eind factsheet voor meer informatie).
|